PERSBERICHT

Onderzoek naar oorzaken faillissementen

27/11/2009

Wat zijn de oorzaken waardoor zelfstandigen en kmo’s failliet gaan? Dat onderzochten prof. Johan Lambrecht en Wing Ting To van het Studiecentrum voor Ondernemerschap (Hogeschool-Universiteit Brussel). Zij voerden een diepgaande kwantitatieve analyse uit van faillissementen sinds 1997, bestudeerden praktijkgevallen van gevestigde kmo’s die failliet gingen en voerden uitvoerige gesprekken met curatoren. De studie kwam er in opdracht van het Liberaal Verbond voor Zelfstandigen (LVZ). Dat biedt op basis van het onderzoek acht beleidsaanbevelingen.

Vaak wordt beweerd dat nieuwe bedrijven (minder dan 3 jaar oud) het meest kwetsbaar zijn voor een faillissement. Uit de analyses van de onderzoekers blijkt alvast het omgekeerde. Nieuwe bedrijven zijn net het minst kwetsbaar voor een faillissement. Op 100 actieve nieuwe bedrijven kennen zij het laagste aantal faillissementen (0,3 tegenover een gemiddelde van iets minder dan één faillissement op 100 actieve bedrijven in België in de periode 1997-2007). Nieuwe bedrijven stoppen ook het minst ten gevolge van een faillissement (gemiddeld 3,6 procent tegenover gemiddeld 13 procent van alle bedrijven in België die stoppen ten gevolge van een faillissement). Verder hebben zij een hoger aandeel in het aantal bedrijven dan in het aantal faillissementen. “Het zijn de bedrijven van 6 tot 9 jaar en van 10 tot 14 jaar oud die het meest kwetsbaar zijn voor een faillissement. Er zijn sectoren waar de oudste bedrijven (minstens 15 jaar oud) recent kwetsbaarder zijn geworden voor een faillissement,” aldus prof. Lambrecht. De cijfers ontzenuwen de hardnekkige opvatting dat faillissementen zich vooral voordoen bij nieuwe bedrijven. Prof. Lambrecht schrijft die misvatting toe aan een verkeerde interpretatie van de statistieken en aan het verwarren van een stopzetting met een faillissement. “Een bedrijf stopt niet noodzakelijkerwijs ten gevolge van een faillissement,” zegt hij. “Doordat het aantal stopzettingen het hoogst is bij de jongere bedrijven wordt daar vaak uit besloten dat de meeste faillissementen in die groep plaatsvinden. Dat klopt niet. De hoogste stopzettingsgraad (aantal stopzettingen op 100 actieve bedrijven) doet zich inderdaad voor bij 3- tot 5-jarige bedrijven (gemiddeld 8,2 procent vergeleken met een gemiddelde van zeven stopzettingen tegenover 100 actieve bedrijven in België in 1997-2007), maar het zijn de jongste bedrijven die de laagste faillissementsgraad (aantal faillissementen op 100 actieve bedrijven) kennen.

Bedrijven in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en horeca het meest kwetsbaar voor faillissement
Faillissementen treffen het vaakst de horeca en de industrie (ongeveer 18 procent per jaar stopt er ten gevolge van een faillissement). Met bijna twee faillissementen op 100 actieve horecazaken heeft de horeca de hoogste faillissementsgraad. De horeca is daarmee de sector die het meest gevoelig is voor een faillissement. Verder blijkt uit de studie dat bedrijven in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kwetsbaarder zijn voor een faillissement dan die in Vlaanderen en Wallonië.

Oorzaken van faillissement bij gevestigde kmo’s
De helft van de geïnterviewde ondernemers die over de kop zijn gegaan, haalt één reden (intern, extern of persoonlijk) voor het faillissement aan. Een torenhoge schuldenlast die de familiale overdrager aangegaan is en ruzie met familiale vennoten zijn de voornaamste persoonlijke oorzaken. De meest genoemde externe falingsoorzaken zijn wanbetalers en de hoge kosten van de boekhouder. De andere helft van de ondervraagde ondernemers wijt de faling aan een samenspel van factoren. Ze verwijzen zowel naar externe als interne falingsfactoren of naar een combinatie van externe, interne en persoonlijke factoren. Bij de interne factor komt gebrekkig strategisch management meermaals voor. Onder de externe factor vallen wanbetalers. Onder de persoonlijke factor geven ze een ongeschikte leiderschapsstijl en de hoge persoonlijke kosten die de opvolger maakte aan.

Hoe verloopt bedrijfsfaling bij gevestigde kmo’s?
“Een verkeerd strategisch management, zwakke startfundamenten en een ‘vernietigende schok’ (fraude, familieruzies, slechte opvolger) die bedrijven ondergaan, zijn de drie falingspaden bij gevestigde kmo’s,” aldus prof. Lambrecht en Wing Ting To. “De helft van de onderzochte praktijkgevallen werpt de handdoek in de ring nadat ze met een verzwarende gebeurtenis die de adem afsnijdt, worden geconfronteerd. Het is de speekwoordelijke druppel die de emmer doet overlopen, zoals het verlies van een rechtszaak dat als onrechtvaardig wordt ervaren.”

Diepe kloof tussen failliete ondernemer en curator
Ondernemers die failliet gaan, blijven met een wrange nasmaak achter. “Ze hebben vaak geen vertrouwen meer in derden, trekken zich beschaamd terug, ervaren het faillissement als een veroordeling, vrezen de reacties van het gezin, maar hekelen vooral het optreden van de curator,” aldus de onderzoekers. “Uit de gesprekken met de curatoren en de ondernemers blijkt dat vaak een diepe kloof gaapt tussen beiden. Daar waar de failliete ondernemer vaak een zware psychische last blijven torsen, leven de curatoren in de overtuiging dat een faillissement iets alledaags geworden is.”
De bedrijfsleiders storen zich aan de almacht van de curator, het feit dat hij hen vaak in het ongewisse laat, de wijze waarop hij de activa te gelde maakt, de gebrekkige kennis van de curator over het vakgebied van de ondernemer, en de langdurige afhandeling van het faillissement.

Acht concrete beleidsaanbevelingen van het LVZ
Luc Soens, directeur Liberaal Verbond voor Zelfstandigen, formuleert op basis van het onderzoek acht concrete aanbevelingen. Curatoren moeten ondernemersbemiddelaar worden, ondernemers moeten kunnen herbeginnen met een echte nieuwe lei, de faillissementsverzekering moet een ondernemersvergoeding worden, herstarten moet gemakkelijker kunnen, een erkenning van organisaties die bemiddelen en bijstaan, er moet een eenduidiger gerechtelijk beleid komen, faillissementscijfers moeten juist geduid en blijven ijveren voor betalingsbevel tegen wanbetalers is noodzakelijk.
Meest in het oog springende voorstel is de omvorming van de rol en functie van de curator tot een “ondernemersbemiddelaar”, die het belang van de ondernemer meer voor ogen probeert te houden.


- Bekijk de acht beleidsaanbevelingen van het Liberaal Verbond voor Zelfstandigen.


- Via de bijlage kan u de publicatie van de volledige studie downloaden.


Meer informatie
Voor meer informatie over de onderzoeksresultaten kunt u terecht bij
prof. Johan Lambrecht
T: 0473-83 46 64
M: johan.lambrecht@hubrussel.be

Voor meer informatie over de beleidsaanbevelingen kunt u terecht bij
Luc Soens
T: 0475-79 32 21
M: luc.soens@lvz.be

← terug