- "Vlaming rijmt niet op staking"
- "Staken lost niets op"
- LVZ en LVPH slaan de handen in elkaar
- LVZ: “Kortzichtige staking lost niets op”
- LVZ: "Begroting nog maar voorsmaakje van wat komen moet"
- LVZ juicht verhoogd politietoezicht winkels en handelszaken toe
- Stad Gent en LVZ zoeken de Gentse Ondernemers van 2012
- LVZ kiest ook voor groei
- LVZ partner Dag van de Ambachten 2012
- LVZ partner Bizidee
- Minnelijke schikking voor Antwerpse winkeldieven
- Betwistbare sperperiode blijft voorlopig
- Heilig Hart Instituut uit Heverlee Beloftevolle Ondernemer 2011
- Sint-Augustinusinstituut uit Bree meest ondernemend schoolteam
- Alleen snelrecht oplossing voor plaag winkeldiefstal
- LVZ en Thuiswerkgids.be slaan handen in elkaar
- Vrij ondernemen in Gent nog niet voor morgen
- Vakbonden reageren afgunstig op avondshoppen
- Alarmbel over zelfstandige kinderopvang
- LVZ: Memorandum federale verkiezingen 2010
Beleidsaanbevelingen LVZ n.a.v. studiedag
27/11/2009
1. Curator wordt ondernemersbemiddelaar
De rol en de figuur van de curator ligt gevoelig bij veel gefailleerde ondernemers. Heel vaak vinden ze zijn “almacht” te groot en hebben ze de indruk dat de curator hen “stigmatiseert”. Daarmee bedoelen ze meestal dat het gevoel mislukt te zijn, door het gedrag van de curator nog extra wordt benadrukt. Het ligt natuurlijk heel gevoelig. “Ik kan niets goed doen in de ogen van de curator”, zeggen ook veel ondernemers die met een faling te maken hebben. Ze zijn vernederd, hun trots is weg, ze hebben het gevoel alles kwijt of afgepakt te zijn.
We weten ook dat een curator geen psycholoog of maatschappelijk assistent is, en in de eerste plaats is aangesteld om de activa in de onderneming te bepalen en daarmee de schuldeisers te betalen.
We weten ook dat een curator geen expert kan zijn in alle mogelijke sectoren en beroepen en handelsactiviteiten, ook al is daar vaak kritiek op.
Toch willen we ervoor pleiten om de rol en de functie van de curator bij de afwikkeling van een faillissement te herbekijken.
We pleiten voor de omvorming van de functie van de curator naar die van een “ondernemersbemiddelaar”. Geen ondernemingsbemiddelaar zoals die voorzien is in de Wet op de Continuïteit van de Ondernemingen (WCO) en daar weliswaar na een korte evaluatieperiode blijkbaar zijn vruchten afwerpt, maar een echte ondernemersbemiddelaar die ook het belang van de ondernemer nog meer voor ogen probeert te houden.
Dit houdt in dat een curator in onze optiek niet noodzakelijk een jurist moet zijn, maar evengoed een andere opleiding kan hebben. Het lijkt ons minstens even belangrijk dat de curator, en we weten dat heel veel onder hen dat vandaag ook al doen, oog heeft voor een menselijke en menswaardige aanpak en benadering.
Daarnaast zijn we voorstander van meer dwingend overleg tussen de curator-ondernemersbemiddelaar, de rechter-commissaris en de voorzitter van de rechtbank van koophandel. Dit zou kunnen gebeuren in de vorm van maandelijkse bijeenkomsten zodat dit overleg uitgroeit tot een volwaardige faillissementsprocedure.
Daarom stellen we voor dat er een verantwoordingscommissie wordt opgericht die gezamenlijk instaat voor alle juridisch-technische beslissingen rond het faillissement. Doordat de rol van de rechter-commissaris hierin belangrijker wordt dan vandaag, pleiten we ook voor een aangepaste vergoeding voor deze prestaties.
2. Herbeginnen met een echte nieuwe lei
In theorie draagt een ondernemer die failliet gaat geen stigma mee. In de praktijk gaat het er heel anders aan toe. Er zijn te veel signalen die de gefailleerde ondernemer wel degelijk nog een stempel geven.
Bij de balanscentrale bijvoorbeeld die volledig online raadpleegbaar is, wordt de melding faillissement zelfs in het rood aangeduid om een gefailleerde vennootschap beter te laten opvallen.
Bij uitbreiding moet in alle officiële documenten de verwijzing naar een faillissement verdwijnen om van een volledige en wettige verschoonbaarheid te kunnen spreken.
Het zou ook nuttig zijn mocht een overheidscampagne begrip vragen voor de ondernemers die niet gelukt zijn, en tegelijk duidelijk maken dat iedereen recht heeft op een tweede kans. Want waar blijft anders de continuïteit van de ondernemer?
In dat verband moet ook gedacht worden aan een kwijtscheldingsprocedure voor de ondernemers die voor 1998 failliet werden verklaard, en na meer dan 10 jaar nog worden achtervolgd door schulden uit dat verleden. Uiteraard maken we een uitzondering in geval van bewezen fraude.
3. Faillissementsverzekering wordt ondernemersvergoeding
De faillissementsverzekering waarop ondernemers een beroep kunnen doen is door de meesten onbekend. Slechts één op drie is ervan op de hoogte.
Ook de naam is slecht gekozen. Vaak denkt men dat het om een soort verzekering gaat waarvoor je premies moet betalen.
Het systeem moet verfijnd en uitgebreid worden tot een volwaardig vervangingsinkomen, en een nieuwe naam krijgen: “de ondernemersvergoeding”, naar analogie met de werkloosheidsvergoeding voor werknemers.
We vragen dat deze vergoeding niet alleen wordt toegekend aan gefailleerde ondernemers, maar ook aan iedereen die op niet-frauduleuze wijze vrijwillig stopt, en aan zelfstandige ondernemers die getroffen worden door zware calamiteiten als een bedrijfsbrand, een overlijden, enz.
Deze ondernemersvergoeding moet ook soepel en flexibel worden toegekend, met verlaagde bedragen voor wie ondertussen deeltijds opnieuw aan de slag is.
De huidige crisismaatregel om de bestaande faillissementsverzekering ook toe te kennen aan ondernemers in tijdelijke moeilijkheden moet verlengd en voortgezet worden en kan eveneens onder deze ondernemersvergoeding vallen. De procedures om een dergelijke vergoeding te ontvangen mogen zeer streng zijn, maar moeten snel en zonder veel extra formaliteiten verlopen.
In dat verband pleiten we ook voor het behoud van pensioenrechten voor vrijgestelde periodes. Zelfstandigen en ondernemers vragen heus niet zomaar vrijstelling van sociale zekerheidsbijdragen. Net zoals voor een werkloze of een werkzoekende in het geval van sluiting van de onderneming zou dat recht ook voor zelfstandigen moeten behouden blijven. Als solidariteitsbijdrage om het bijdragenstelsel van de zelfstandigen niet in het gedrang te brengen kan hier gedacht worden aan een hogere bijdrage voor de inkomens boven 50.000 euro per jaar en het afschaffen van het grensbedrag van 75.000 euro waarboven vandaag geen bijdragen worden betaald.
4. Herstarten makkelijker maken
Als we van failliet gaan minder een drama maken, letterlijk en figuurlijk, dan moeten we ook herstarten gemakkelijker maken met het oog op de continuïteit van de ondernemer. Gefailleerde ondernemers mogen en moeten een eerlijke tweede kans krijgen.
Daarom moeten herstarters van dezelfde steunmaatregelen kunnen genieten als gewone starters. Instanties zoals het Participatiefonds en Agentschap Ondernemen moeten hier actief actie voor ondernemen.
Voor die groep is het natuurlijk belangrijk dat de afwikkeling van het faillissement niet aansleept. In geval van bewezen goede trouw moet daarom gestreefd worden naar de afhandeling van het faillissement binnen een redelijke termijn van 1 jaar.
5. Erkenning van organisaties die bemiddelen en bijstaan
Er zijn nauwelijks organisaties actief die zich het lot van gefailleerde ondernemers aantrekken. Die hen steunen tijdens de pijnlijke procedure van het faillissement. Die hen goede raad en tips geven. Maar die hen vooral moreel en mentaal bijstaan, en dus vaak een zeer grote persoonlijke bijstand verlenen.
Deze organisaties, zoals Efrem en Tussenstap, vervullen een aanzienlijk veelzijdiger opdracht dan wat boekhouders, fiscalisten en juristen doen. De inbreng van psychologen en welzijnswerkers is in dergelijke organisaties minstens even belangrijk.
Het is belangrijk dat dergelijke organisaties, en andere die zich zouden aandienen, aan welomschreven criteria voldoen om hun taak goed te vervullen. Daarom is het voor ons belangrijk en vanzelfsprekend dat deze organisaties erkend worden, en een vergoeding krijgen voor de waardevolle begeleiding die ze ondernemers bieden. Door de expertisen en de sporen die ze reeds verdienden komen ze hiervoor beter in aanmerking dan een nieuw op te richten overheidsdienst.
6. Eenduidiger gerechtelijk beleid
In een aantal rechtsgebieden verloopt de afhandeling van faillissementen, en coördinatie en samenspraak met gefailleerde ondernemers voorbeeldig, en veel vlotter en beter dan elders. We vragen dat de minister van Justitie hier aandacht zou voor hebben, en samen met de rechtbankvoorzitters zou trachten deze goede voorbeelden uit te breiden tot de andere rechtsgebieden.
Zo blijkt er ook een hemelsbreed verschil in het gebruik van de knipperlichtprocedures die door de kamers voor handelsonderzoek gebruikt worden om bedrijven in moeilijkheden op te sporen. Ook daar is een eenvormiger werkwijze aangewezen.
7. Juiste duiding van faillissementscijfers
Het is pijnlijk vast te stellen dat cijfers over faillissementen van ondernemingen voorgesteld worden, in de media en elders, als waren het records en topscores uit de sportwereld.
Uit de studie van professor Lambrecht die hier is voorgesteld, blijkt duidelijk dat deze cijfers moeten gerelativeerd worden.
Veel juister dan te focussen op het loutere aantal faillissementen, is het betekenisvoller om te kijken naar de faillissementsgraad. En dan blijkt dat er weliswaar een stijging is waar te nemen, maar dan wel van nog geen procent naar een fractie meer dan één procent.
Een tweede cijfer dat belangrijker is dan het loutere nominale aantal faillissementen is trouwens het aantal werknemers dat door een faillissement getroffen wordt
Daar bovenop moet er rekening mee gehouden worden dat een groot deel van de faillissementen betrekking heeft op wat curatoren een “lege doos” noemen, zijnde vennootschappen die de laatste jaren geen enkele activiteit meer vertoonden.
8. Blijven ijveren voor betalingsbevel tegen wanbetalers
Tenslotte willen we blijven hameren op een aantal maatregelen en principes die kunnen voorkomen dat ondernemers in moeilijkheden raken die tot een faillissement of een stopzetting leiden.
Voor alle duidelijkheid: we pleiten er niet voor om het starten als ondernemer op zich moeilijker te maken dan dat vandaag het geval is. We weten dat een aantal onder hen nog te onvoorbereid of te onwetend in een zelfstandig beroep of activiteit stappen. Dat is voor ons alleen een reden om te blijven pleiten voor voldoende basiskennis, begeleiding en een goede voorbereiding. Zo vinden we het als organisatie heel belangrijk om die basiskennis rond zelfstandig ondernemen vanaf het middelbaar onderwijs te propageren, en we werken daar ook actief aan mee.
Er kan ook niet genoeg gehamerd worden op het belang en de noodzaak van een goed businessplan voor wie een eigen zaak wil starten. Niet alleen omdat dit onontbeerlijk is om bij gelijk welke bank of financiële instelling een krediet te krijgen, maar nog meer om bewust te zijn van de eigen kansen en opportuniteiten, van de concurrentie en kosten, van de inspanningen en het resultaat.
We weten ook dat ondernemers vaak in problemen geraken door externe oorzaken, zoals het fenomeen van de wanbetalers. Te laat of niet betalen van facturen is voor zelfstandigen en bedrijven een van de grootste bedreigingen. Nog altijd is het faillissement van één op vier zelfstandige ondernemers te wijten aan wanbetalers. We weten dat er de jongste maanden verschillende stappen zijn gezet om hier beterschap in te krijgen. Dat is bijvoorbeeld het geval met betalingen door de overheid zelf. Maar we zouden op deze plaats nogmaals willen aandringen op de realisatie van de procedure voor het betalingsbevel voor onbetaalde facturen.
Maar nogmaals: dit alles is geen reden om het starten van ondernemers te bemoeilijk of te ontmoedigen. Starters van vandaag zijn de ondernemers van morgen, en onze samenleving heeft nog veel moedige mannen en vrouwen nodig die de stap naar een zelfstandig beroep en een zaak willen zetten. Op deze positieve noot willen we dan ook eindigen.
Brussel, 26 november 2009
